kees 003‘De Tweede Wereldoorlog’, daar kun je bibliotheken mee vullen. Het aantal documentaires is niet meer bij te houden. Het onderwerp is volkómen afgegraasd. Goddank zijn daar ook nog de onbekende, ‘kleine’ oorlogsverhalen. Overleveringen, prachtig en ontroerend in eenvoud. Zoals die van mijn familie, tijdens oorlogstijd wonend in de Amsterdamse Nieuwmarktbuurt. Een gezin bestaande uit vader, moeder, én acht kinderen. Die op wonderbaarlijke wijze deze barre tijd hadden overleefd. De verhalen dáárover, zijn mij, geboren in 1948, letterlijk met de paplepel ingegoten. Bij ons thuis was ‘de oorlog’ namelijk nooit ver weg.  Vooral tijdens het avondeten! Het gezin aan de grote tafel, zittend onder de lamp. Dan vlogen de verhalen over ‘moffen, Grüne Polizei, aangeschoten bommenwerpers, schuilkelders, NSB’ers, ruilhandel, maar ook de grote buurtrazzia’s’, over de dampende pannen met aardappelen, groenten en jus.
De jongens, mijn broers, namen daarvan het leeuwendeel voor hun rekening. Voor Frans, Kees, én Jan, maar ook zuster Mientje, kinderen toen, was het dan ook de aller-spannendste tijd van hun leven. Inmiddels zijn Mientje, Frans én Jan, op hoge leeftijd gaan hemelen. Nu zij er niet meer zijn besef ik opeens dat ik mijn kans had gemist. De móóiste familieverhalen dreigen te verdwijnen. Dom van mijzelf, dat ik daar nooit iets mee gedaan had. Alhoewel… broer Kees,  81 jaar, scherp van geest,  is nog steeds onder ons.  Om mijn blunder goed te maken had ik hem benaderd om zijn verhaal te vertellen. Kees voldeed graag aan het verzoek. De interviews vonden plaats in het ouderlijke huis waar mijn broer al acht decennia woont. Het werden genoeglijke middagen:  de kruik jenever op tafel. ‘De oorlog van Kees Stuyfersant’,  door de ogen van een toenmalig jochie. Prachtig, spannend, soms ontroerend.

André Stuyfersant. Contact: stuyf@msn.com 

Advertenties

Kees gaat vertellen…

Copy of familiespook 070De klok van de Montelbaanstoren slaat drie slagen. De nacht is donker. Stil. In een woning in de slagschaduw van de toren  ligt een man wakker. Voor hem zijn dat dé momenten waarop zijn gedachten terugdwalen naar ‘de oorlog’. Een enerverende en opwindende tijd, die hij als  jochie, wonend in de Nieuwmarktbuurt, beleefde. Het zijn herinneringen die een leven lang beklijven. Geëtst staan in het geheugen. Amsterdam tijdens de bezetting. Sperr-tijd. Op straffe van ‘de kogel’, na acht uur ’s avonds niemand meer op straat. Geen brandende straatlantaarns. De ramen verduisterd. De stad zwart, verlaten en doodstil als een graf. De man herinnert zich dat nog héél goed.
Maar ook hoe die stilte doorbroken werd door  het lugubere geluid van een huilend luchtalarm, gevolgd door gebulder en geblaf van de tientallen Duitse luchtafweerkanonnen opgesteld op het Marineterrein aan Kattenburg:  hemelsbreed tweehonderd meter van zijn ouderlijk huis. Dan lag hij, samen met zijn broertjes en zusjes, wakker in bed.
Maar éérst was daar, als een ouverture,  dat zachte gebrom. Aanzwellend tot een donderend geraas dat minutenlang aanhield: Engelse bommenwerpers op weg naar Duitsland. Als de toestellen overkwamen, ging de poorten van de hel open. Het luchtafweergeschut  op het marineterrein ging los. De pannen op het dak lagen te rinkelen. De buurt schuddend van de angst in bed.
Kees Stuyfersant, 81 jaar, was nog maar een jochie van zes jaar toen de mof Amsterdam binnenmarcheerde.
sail2015 094Of hij aan de oorlog een trauma overgehouden had? Nee! Hoewel je van de huizen in de buurt het drama kon schrapen, was dat voor hem én zijn broers de meest spannende tijd van hun leven. Maar dan wél gezien door kinderogen.
Enfin, laten wij Kees vertellen…

Montelbaanstraat, familiestraat

12167426_1691674357733544_861608504_n‘Wil je een borreltje’? Zonder het antwoord af te wachten, plaatst Kees een kruik ‘jajem’ op tafel. Met een soepele draai wordt de dop er afgeschroefd. Oude jenever! Ouderlingen en dominees weten daar wel raad mee. En waar het Amsterdamse proletariaat van ‘voor de oorlog’ bijna aan ten onder ging. De kruik jenever, tevens hét symbool waar het gezin veilig en zonder honger de oorlog mee door kwam: waar ik straks op terugkom.
Aangeschoten
Kees verhaalt eerst over zijn familie. Ras Amsterdammers. Een geslacht van diamantslijpers. Opa, ooms, tantes, neven, broers en zusters, allemaal waren ze werkzaam als diamantslijper- of snijder. Afkomstig uit de Duvelshoek, dat merkwaardige, begin jaren twintig gesloopte buurtje tussen de Reguliersstraat, Rembrandtsplein én Munt, en waar nu onder meer het Tuschinsky Theater staat. Na eerst een aantal jaren in de Moddermolensteeg, midden in de ‘Jodenhoek’, gewoond te hebben betrok het gezin een woning in de zojuist opgeleverde Montelbaanstraat. ‘Wij kwamen te wonen op nummer 13, waar ik ook geboren ben,’ opent Kees. ‘Niet veel later volgden mijn opa en opoe die boven ons kwamen te wonen.
Twee huizen verder, op nummer 9, kwam ome Jan, de broer van mijn vader met zijn vrouw en zes kinderen, te wonen.  En op nummer 1, werd het domicilie van tante Jo, de zus van pa, met haar gezin.’ Dat zijn meteen mijn eerste herinneringen aan de oorlog’. Kees vertelt hoe hij als jochie van zes, al spelend op de Oude Waal terechtkwam en op het dak van het Scheepsvaarthuis opeens soldaten met luchtafweergeschut zag.
Gezapige
‘Dat staat nu nog op mijn netvlies’, verzekert hij. ‘Het waren Nederlandse soldaten, want dat herkende ik veel later aan de vorm van hun helm.’ Thuis gekomen hoorde ik mijn vader tegen ome Jan tekeergaan over het bombardement op Rotterdam. Als pa op dreef was, moesten wij, de kinderen, ons rustig houden. En vooral niets zeggen. Zo ging dat in die tijd.’
Project1Het gezapige, vredige leven in de Nieuwmarktbuurt  stopte  eind september 1940, letterlijk met één klap. Een aangeschoten Engelse bommenwerper liet zijn vracht los boven de buurt. De speeltuin, achter de ouderlijke woning, én een huis op de Rechtboomssloot kregen voltreffers. De daarbij behorende bomscherven zorgden later voor prachtige anecdotes. ‘Mijn zusje Ans, een baby van drie maanden, sliep in haar wiegje onder het raam van de slaapkamer grenzend aan de speeltuin. Alle ruiten vlogen er uit’, vertelt Kees met veel gevoel voor spanning. ‘Mijn zusje  lag zelf, letterlijk, onder een deken vol glasscherven. Ze mankeerde niets. Bij een buurvrouw verder in de straat en slapend in zo’n ouderwetse ijzeren ledikant, vloog een scherf naar binnen. Die bleef steken in dat metalen bed. Een andere buurvrouw, tante Trijn genaamd, kreeg een scherf in haar longen en verbleef maanden in het ziekenhuis.
familiespook 056Ook mijn  opa en opoe, boven ons, kregen hun portie. Opa zat op de WC. Toen hij opeens grote gaten zag verschijnen in de muren boven en om hem heen. Een grote scherf was dwars door het huis gevlogen. Dat die ouwe moest kakken had hem het leven gered. Je moest er toch niet aan denken dat hij de aardappels stond af te gieten…’ Het laatste was niet zó verwonderlijk. De man stond bekend als een groot ‘innemer’.

Schuilkelders
Zo’n anderhalf maand na het uitbreken van de oorlog  begonnen de massale Engelse bombardementen op Duitsland. Iedere nacht vlogen hele eskaders Lancasters, Mosquito’s, en Spitfires over de stad.
‘Ik weet nog dat thuis, in de meidagen van 1940,  alle meubelen aan de kant werden geschoven. Ome Jan met vrouw en kinderen, kwamen bij ons. En met zijn allen sliepen wij dan op de vloer van de huiskamer. Onder meer onder de grote tafel. Schijnveiligheid natuurlijk.’
Kees gaat door met onthullingen en heeft het over de schuilkelders én het daarbij behorende luchtalarm. ‘Bij ons aan de overkant bevindt zich een groot gebouw. Daaronder een gigantische kelder. Deze werd iets later ingericht als schuilkelder. Voor de kelderraampjes zandzakken.
keesoorlogs 015Kan mij nog een keer herinneren dat midden in de nacht het luchtalarm af ging. De hele buurt stormde, soms nog in nachtkleding, naar die kelder. Wij ook. Kwamen wij in die kelder raakte mijn moeder helemaal over haar toeren. Zusje Ansje, een paar maanden oud was vergeten. Ma hals over kop weer terug.’

Foto 2: De hele familie, op vader Kees na, was  werkzaam in de diamantindustrie: op de foto broer Frans. Foto 3: Kees. Foto 4: Mientje. Foto 5: De ingang van de schuilkelder in de Nieuwe Ridderstraat.

Patrouillewagens én prikkeldraad

scherf3Na zich rustig gehouden te hebben begon de oorlog sluipenderwijs de buurt binnen te dringen. Spelende kinderen zagen opeens met enge  regelmaat Duitse patrouillewagens rijden. In de achterbak de gevreesde Grüne Polizei: een afdeling van de SD. ‘Op een gegeven moment ging ik naar school, gevestigd op de Kloveniersburgwal’, vult Kees aan. ‘Waren de bruggen in de buurt afgezet met prikkeldraad en een wachtpost. Volwassenen moesten eerst hun persoonsbewijs laten zien. Wij, de kinderen mochten probleemloos  oversteken. Ook verscheen in de buurt houten palen met daarop aanwijsbordjes waar de schuilkelders zich bevonden. Joodse buurtgenoten hadden een gele ster op hun jas. De bedoeling daarvan begrepen wij kinderen niet.’
Het aanpassingsvermogen én fantasie van kinderen zijn groot: die passen zich moeiteloos aan. Ook Kees en zijn broertje Jan. ‘Als de Engelsen in de nacht overkwamen schoten de moffen met grote zware granaten in de lucht. Deze spatten dan hoog in de lucht uit elkaar met doel een toestel te raken. De scherven kletterden dan als een koperen regen neer in de straten en grachten. Wij gingen daar naar op zoek. 

Aanplakbiljetten
Het was prachtig blinkend koper’, herinnert Kees zich nog. ‘Koper met gele vlekken van het kruit. Jan en ik hadden een grote doos vol met dat spul. Een paar maanden later plakte de moffen de buurt vol met aanplakbiljetten. Voor de Duitse oorlogsindustrie diende iedereen al het koperen huisgerei en andere zaken in te leveren. Mijn vader deed dat niet. Wij, Jan en ik ook niet. Wij verstopten onze schat tussen de vloer op zolder. Voor ons een ultieme verzetsdaad’. Ook de jeugd ontsnapten niet aan de repressie van de bezetter. ‘Ik weet nog een voorval van mijn oudste broer Frans, zes jaar ouder dan ik. Het was zomer. Frans was in de speeltuin aan het voetballen.
scherf2Iedereen moest voor sperr-tijd thuis zijn. Mocht je na dat tijdstip gesnapt worden, was de kans dat er geschoten werd levensgroot.  Frans, een puber trok zich daar weinig van aan. Toen de torenklok acht keer sloeg vertrok hij pas uit de speeltuin. Met bijna fatale gevolgen.
Tot zijn grote ontsteltenis stond midden op de brug van de Oude Schans en de Rechtboomssloot een Grüne Polizei: stahlhelm én geweer. Die kerels waren meedogenloos. Frans dacht dat zijn laatste minuut was ingegaan. De man keek hem echter bars aan en bulderde dat hij vort moest maken.  Frans had altijd verteld dat hij daarna nóóit meer zo snel de Rechtboomssloot was afgerend als toen.’
 

Archeologie op zolder
blikoorlog 046‘Volgens mij moet dat er nog steeds liggen’! Kees’ verhaal over de verstopte doos vol granaatscherven  maakte iets bij hem los. Iets dat al meer dan zeventig jaar letterlijk diep weggestopt was. Niet alleen onder de zoldervloer. Ook in Kees’ geheugen. De nieuwsgierigheid was té groot om niet even een kijkje onder die vloer te doen. Het werd archeologie in eigen huis. Een speurtocht naar een relikwie uit Kees’ jeugd. Samen met bovenbuurman Gregor Schaefer ging Kees op expeditie. Eerst werd het vloerzeil weg gehaald. Waarbij direct twee losse planken zichtbaar werd: die met een schroevendraaier  omhoog getild werd. En verdomd… Dik onder het stof lag daar, inmiddels al 74 jaar, de bewuste doos met scherven. Schrijver dezes kreeg zo’n scherf. Voor hem een kostbaar symbool aan al die prachtige familieoorlogsverhalen. (foto’s: Gregor Schaefer)

Het lot van dokter Norden

ghetto (4)De Nieuwmarktbuurt grenzend aan de Jodenhoek zoals de buurt in de volksmond werd genoemd, met van oudsher veel Joodse inwoners. Waarmee aan de horizon meteen een vreselijk drama gloorde. Ook Kees weet dat nog goed. ‘Ik zat op de Vincentiusschool op de Kloveniersburgwalen iets later op de Prinsenschool aan de Nieuwe Zijdsvoorburgwal. Op een gegeven moment waren in de klas lege plekken. Vriendjes en vriendinnetjes waren er opeens niet meer. Dat waren Joodse kinderen. Weggehaald, zoals dat in die tijd werd genoemd. Ik herinner mij nog één naam: Stella Vleeschouwer, een iets ouder  buurmeisje’.
Dat er iets vreselijks aan de hand was, merkte Kees aan de verhalen van zijn vader. ‘Mijn vader had als extra bijverdiensten een krantenwijk in de buurt. Pa en ma hadden jaren midden in de Joodse buurt gewoond. De man kende als geen ander de bewoners bij naam en toenaam. Dat mijn zuster Mientje als kind met een Jiddisch accent sprak is ter kennisgeving. Pa merkte als eerste dat de mensen weggevoerd waren’.
Project7Krantenwijk
Kees vult nog even de jeneverkelkjes bij en vervolgt zijn verhaal. ‘Ik hoor nu nóg pa tegen ma  zeggen dat hij bij de familie Cohen, wonend in de Sint Antoniebreestraat de krant ook niet meer  hoefde te bezorgen.  Het huis was dichtgetimmerd. De bewoners afgevoerd. Eerlijk?: antwoordde mijn moeder. Die met die vijf kleine kinderen?’ Mijn vader kreeg dan een woedeaanval. Begon te schelden op die duivel van een Hitler, zoals hij hem noemde’.
Discussies
Bij Kees hoef je niet aan te komen met de kreet dat, tijdens de oorlog niemand wist wat de joden te wachten stond. Fel, gedecideerd én met argumenten wijst hij dat van de hand. ‘Wij, mijn moeder en ik hadden chronische astma’, vertelt hij. ‘Daardoor kwam dokter Norden onze joodse huisarts regelmatig bij ons over de vloer.  Pa was ‘eigen’ met hem. In die tijd nogal bijzonder.’
Kees verhaalt hoe die twee  regelmatig discussies hadden over de oorlog. Details weet Kees niet meer. Op één na, die zich in 1942 afspeelde.
Die maakte dan ook veel indruk op een jochie van negen jaar.
Project2‘Ik hoor pa nog wanhopig roepen tegen Norden: man duik onder, jullie worden allemaal vergast. Ach Kees, antwoordde hij, dat doen de Duitsers niet. Duitsland is een beschaafd land.’ Tot op de dag vandaag weet Kees niet wat het lot was van zijn huisdokter.

Foto 2: De Sint Antoniebreestraat,  waar de familie een aantal jaren woonde en waar zus Mientje met een Jiddische tongval sprak. Foto 3: Rechts de hoek Moddermolensteeg en de Sint Antoniebreestraat waar éénhoog het gezin eerst woonden.

Wees-gegroetjes bij de kachel

familiespook 085Zaterdag 17 juli 1943. Knalblauwe lucht boven Amsterdam. De Montelbaanstoren staat in de zon te pronken. De grote zomervakantie is losgebroken. Kinderen spelen op straat of in de speeltuin. Zo’n lome, prachtige zomerdag. Ook ideaal voor de geallieerden bommenwerpers. Vanaf hun luchtmachtbasis in Engeland stijgen éénenveertig B-17’s ofte wel Vliegende Forten op. Doel: de Fokkerfabrieken in Amsterdam-Noord. Bommenwerpers, bemand met piepjonge en nog onervaren Amerikaanse  bemanningsleden. Dat laatste had Kees en zijn familie, maar vooral  Amsterdam-Noord, geweten. Kees zittend in zijn woonkamer. Dezelfde kamer waar zijn pa, tweeënzeventig jaar geleden binnen kwam stormen.’Coba, Coba’, schreeuwde vader ontzet, ‘Er wordt gebombardeerd’. Zonder deze kreet was dat de buurt al meteen duidelijk. Ook Kees weet dat nog héél goed.
HCAN2_0Roodgloeiend
‘De straat, alle huizen stonden te schudden op de heipalen. De lopen van het luchtafweer op het marineterrein stonden roodgloeiend. Pa rende met mijn broer Frans naar het dak om te kijken. Beetje sensatiezucht kon ze niet ontzegd worden. Het was heel griezelig. Je hoorde de explosies. Ontzettend gedreun. De eskaders vlogen hoog over. Ze kwamen via de Oude Schans aanvliegen. Wij stonden op de veranda. Je kon heel goed zien dat, eerst als kleine stipjes, de bommen als waggelende eenden naar beneden kwamen: doel de Fokker-fabrieken in Noord’.
Burgerdoden
Kees’ moeder, een zwijgzame, nuchtere en praktische vrouw. Een geboren en getogen Jordanese die haar handen vol had om het gezin draaiende te houden en niet zo snel in paniek raakte.  Dat beeld kantelde. ‘Ik heb mijn moeder maar twee keer in paniek gezien’, gaat Kees verder. ‘De eerste keer was bij dat bombardement. Ze riep ons allemaal bij elkaar. Wij moesten naast elkaar en om de potkachel gaan staan. Moeder met haar rug naar het raam als een kloek om ons heen. Met zijn alle moesten wij hardop bidden. Ik zie ons nog het wees-gegroetje, opdreunen’, verhaalt Kees grijnzend.
Kees en Jan, jochies nog. Onwetend van het drama dat zich in Noord had afgespeeld, want tweehonderd burgerdoden, togen een dag later met de pont naar Noord om een kijkje te nemen. ‘Die verwoesting, dat hakte er bij ons behoorlijk in. Heel eng en luguber.’familiespook 064

Foto 1: Ondanks de oorlog gingen de tekenlessen van Kees senior gewoon door.  Op de Groenburgwal met v.l.n.r. vriend Nollie van Neck, Kees sr., Jan en Frans.  
Foto 3: Rechts, Mientje met Kees, Reggie, Jan en haar oma.

Jan’s schoen én buurt-NSB’ers

Project1Naast het grote leed van de jodenvervolging, en de daarbij behorende onttakeling  van de buurt waren er ook kleine intermenselijke drama’s. Om een gezin met acht kinderen, midden in de oorlog, overeind te houden vereiste een energie die de grenzen van de fantasie vér voorbij ging. Niets was meer te krijgen. Eten, kleding en schoenen, álles ging op rantsoen. Of was doodgewoon niet meer te krijgen. Ondanks dát gingen de kinderen, dank zij de vader, goed geschoeid. Iedereen had, weliswaar één paar, goede en degelijke lederen schoenen. Ook broertje Jan. De laatste had één makke: die jongen was in alles bloedfanatiek En daar zat juist dé kneep. ‘Jan zat op voetbal’, opent Kees. ‘Op ieder moment van de dag was hij daar mee bezig. Om zijn traptechniek te vervolmaken trapte hij, met of zonder effect, tegen ieder blikje steentje of wat voor voorwerp dan ook. Ooit zag ik hem dat, met een flinke aanloop, doen tegen een stukje hout. Dan was dus een boomwortel die nog in de grond zat. Krimpende van de pijn hinkelde hij verder’.

Roeiboot
Dat had een waarschuwing moeten zijn. Zeg dat maar eens tegen een jongen van nog geen twaalf jaar. Ook op die ene dag in het najaar van 1943. De broertjes Kees en Jan op weg naar school. Pratend, beetje dollend, kortom zoals jongetjes doen, kwamen ze op de Kromboomssloot. 
familiespook 016‘Jan had gloednieuwe, nog krakende  schoenen aan’, zegt Kees, vet grijnzend. ‘Ziet hij opeens een steentje. Eerlijk is eerlijk, zijn techniek was perfect. Met een flinke haal schopte Jan dat, tientallen meters ver in de gracht’. Niet alleen dat steentje verdween in het water. ‘Ik zie nog, draaiende om zijn as, de schoen daar achter gaan. Thuis gekomen brak daar de pleuris over uit. Pa met zijn grote kennissenkring regelde een roeiboot. Urenlang was hij met een aan een stok bevestigde haak bezig geweest om die schoen op te dreggen. Helaas…’

Vuurrood haar
De Nieuwmarktbuurt, van ouds een links bolwerk, bevolkt met havenarbeiders, diamantslijpers en een enkele ambtenaar, kende ook zijn verraders. Na meer dan zeventig jaar kent Kees ze nog. Zoals die kruidenier die zijn nering uitbaatte op de Oude Waal, een paar huizen van de hoek Lastageweg.  ‘In de buurt een zeer berucht figuur’, volgens Kees. ‘Een kruidenier met vuurrood haar. Door iedereen gemeden als de pest. Die man had ook kinderen. Net zo oud als wij. Voor de oorlog speelden wij met ze.
Tijdens de oorlog werd dat anders. Van ons mochten die jongens niet meer meedoen als wij voetbalden. Géén NSB’ers, riepen wij. Wij, de buurtkinderen waren daar meedogenloos is. Nu, met de jaren weet ik dat die arme kinderen, aan de politieke voorkeur van hun vader niets konden doen’.12164551_1691674477733532_216350737_o

Foto 1: Jan en Kees. Foto 2: foto gemaakt op de Rechtboomssloot midden in de oorlog. v.l.n.r. Lies, Mientje, Ansje, Kees, Reggie, Jan en Frans. Rechts achter vader Kees, links de grootmoeder ‘opoe boven’ genoemd.
Foto 3: De ‘foute’ kruidenier op de Oude Waal.