Geweerkolven tegen de voordeur

persoonsbewijsHoe vergiftig je een heel volk? Met propaganda! Via de schrijvende pers, bioscoopjournaals  maar vooral met en in de ether. De Führer, én zijn spreekbuis Goebbels, hadden daar patent op. Het was geen verrassing dat de bezetter in het begin van de oorlog verordende dat iedereen zijn radio moest inleveren. Op het bezit daarvan volgde zware straffen want deportatie naar werkkampen in Duitsland. Toch waren er genoeg Nederlanders die deze waarschuwing  aan hun ‘reet lapten’.  Ook de vader van Kees.

Jetje Paerl
’s Avonds, om negen uur als de jongste kinderen naar bed waren, ging de Philips-buizenradio aan. De  zenderpijl op de BBC: Radio Oranje, de stem van bevrijdend Nederland, begon zijn uitzendingen.  Jetje Paerl zong haar lullige liedjes. Bemoedigende toespraken van Koningin Wilhelmina én het laatste oorlogsnieuws. Luisteren naar de BBC, maar vooral een radio in je huiskamer was bloedlink. Ondanks dát leverde het één van allermooiste familieverhalen op. Een scenario waarvan een regisseur in Hollywood begrijpend staat te knikken.
familiespook 012De jodenvervolging was in volle gang. Als het mogelijk was, doken de joden onder. De Grüne Polizei maakte daar een niets ontziende jacht op. Wat zich diep in nacht afspeelde. Dan waren ze er zeker van dat iedereen  thuis was.  Op een nacht klonk in de Montelbaanstraat het  gebonk van geweerkolven op deuren. Harde Teutoonse keelklanken. ‘Türen öffnen. Hausdurchsuchung. Rausch machen.’ Het geluid van met ijzer beslagen laarzen op de trap. Kees als de laatste onbewuste ooggetuige van het gezin had dat meegemaakt. Twee van die beruchte en gevreesde SD-ers in hun huiskamer. Een nachtmerrie die tot leven kwam.

Zenderpijl
‘Wij moesten van die moffen allemaal uit ons bed komen. Slaapdronken stonden wij in de huiskamer. Die ene mof begon te tellen. Acht Kinder? Mann, du bist verrückt’, baste hij tegen pa.’ En wat als een scherp geslepen zwaard boven het gezin hing, gebeurde. De radio in de hoek van de kamer werd ontdekt. De zenderpijl op de BBC. ‘De ene mof keek begrijpend naar zijn kameraad,  vertelde mijn pa nadien. ‘Je zag ze denken. Als wij die man, mijn vader, meenemen, stort dat gezin in elkaar. Een patstelling. Om hun eigen status te redden, loste die ene SD-er dat prachtig op. Ach, Heini, mit  so viele Kinder hier, sind keine Juden. Vervolgens deden ze net of er geen radio stond en vertrokken weer.
familiespook 068Mijn vader, een brandende haat jegens moffen, vertelde tot aan zijn dood, in 1965,  dat er ook goede Duitsers waren. Waarmee hij die twee SD-ers mee bedoelde. Overigens: een dag later had pa de radio in een krantentas meegenomen en verstopt op zijn werk’.

Foto 1: Het persoonsbewijs van moeder Coba.
Foto 2: Het gezin tijdens de oorlog anno 1942.
Foto 3: Vader Kees. 

Sigaren en ‘jajem’ voor van Kampen

NL-HaNA_2.24.10.05_0_120-0725Begin december 1944. Het spook van de hongerwinter klopte op de poorten van de stad. Geen voedsel. Totáál gebrek aan brandstof. Bijtende kou. Amsterdammers stierven als ratten. Begraven was niet mogelijk. De aarde was diep bevroren. Lijken werden, met tientallen tegelijk  in de Zuiderkerk gelegd. De zogenaamde ‘hongertochten’ namen een aanvang. Want radeloze, desperate hongerlijders, op fietsen, voorzien van houten banden, trokken richting Friesland om voedsel te bietsen bij de boeren. Enfin, lees de geschiedenisboeken.
Wij gaan verder met het verhaal van Kees, zoals híj dat beleefd had. Maar eerst iets vertellen over ‘de boeren’. Die niets tekort kwamen. Schuren en opslagplaatsen vol voedsel: waar woekerprijzen voor gevraagd werd. En toch, tóch miste de boer wat. Iets wat niet meer te krijgen was. En wat Kees senior wél had: sigaren en jenever!
Hoe Kees’ vader aan dat laatste kwam…

Deal
‘Pa kende de bedrijfsleider van likeurstokerij Wijnand Fockink persoonlijk, gevestigd in de Pijlsteeg, heel goed. Pa, assistent-inkoper bij het Algemeen Handelsblad, was ook een zeer verdienstelijke kunstenaar want tekenaar en etser. Dat deed hij in zijn vrije tijd. De bedrijfsleider was twaalf en halve jaar getrouwd en wilde zijn vrouw een tekening geven. Eén van de hand van mijn vader.’ De deal werd gemaakt. De man vroeg aan Kees’ ouwe heer wat de prijs was. ‘Twee kruiken jenever’, was het antwoord. Vader kreeg die kruiken. Eén bewaarde hij. Met de ander ging hij naar sigarenzaak Hajenius, nog steeds gevestigd op het Rokin. Deze kruik ruilde hij daar voor twee kisten met vijftig sigaren elk. Eén kist bewaarde hij zelf en met die ander toog hij weer richting Pijlsteeg.
keeswijnandf 026Daar was hét dan: ruilen? Maar dan wel voor twee kruiken jajem: zoals ‘ouwe’ Kees dat steevast noemde. Na een tijdje stond de kast in de voorkamer vol met kisten sigaren  en jenever. En daar ging pa mee richting de Haarlemmermeer’.

Bolknak
Vader Kees, had zijn adresje: boer Van Kampen, in de buurt van Zwanenburg. Van Kampen, een man met grote dorst die daar graag een bolknak bij weg pafte. De assistent-inkoper van het Handelsblad  kwam als geroepen. Enfin, wij laten Kees aan het woord: ‘Vader ging daar naar toe op de fiets. Krantentassen achterop. Op  de terugweg  richting Montelbaanstraat, waren deze afgeladen met tarwe, suikerbieten, aardappelen, boter, zuivel en ander voedsel. Om controles van de moffen te ontlopen, want die namen dat in beslag, deed vader boven op dat voedsel pakken kranten. Het liefst Volk en Vaderland, de partijkrant van de NSB. Dat ging altijd goed.  Wij kenden geen honger. Tijdens de hongerwinter was er geen aardappel te krijgen Iedereen at bloembollen. Wij niet. De zolder lag vol met bintjes.’ Kees senior, sociaal, een man met een ‘groot hart’. Daar kon iedereen gebruik van maken. Ook dat ene buurmeisje.

Ouwe man
‘Mijn zusje Lies had een vriendinnetje, een broodmager grietje. Toen moeder pa daar attent op maakte, mocht dat kind van hem weken lang bij ons mee eten. Net zo lang tot ze weer op kracht was. Ik weet ook nog die ene ouwe man. Een kennis van pa. Die kwam iedere middag bij ons een grote kop soep eten.’ En dan is er ook nog dat ene dramatische verhaal, door Coba nog lang na de oorlog verteld. ‘Wij kregen altijd veel visite’, herinnert Kees zich. ‘Ook tijdens die ene  sneeuwstorm toen er bij ons werd aangebeld. Op de stoep stonden twee vrouwen. Scharminkels op blote voeten. Of zij asjeblieft een boterham konden krijgen want ze hadden zo’n honger. Ze mochten boven komen en kregen van ma boterhammen besmeerd met roomboter.’ 
eNiet alleen boer Van Kampen hield van een ‘slokkie’. Ook vader Kees had op zijn tijd wel trek in een pikketanissie. Waarbij die ouwe graag een bolknak de lucht in mocht jagen. Ook tijdens de Hongerwinter. ‘Pa was een heel matige drinker. Tijdens de avonden, in d winter van 1944, ging acht uur ’s avonds de voorraadkast met jenever én sigaren open. Moeder zette op tafel twee kelkjes. Het glaasje jenever van ma werd voor de helft gevuld met suiker. Zowel pa als ma deed een hele avond over hun borreltje. Kwestie van nippen. Als ma haar glaasje leeg had en wij waren nog op, dan kregen wij allemaal een schepje met  jenever doordrenkt suiker. Was volgens haar goed tegen verkoudheid.’

Volkomen mis
Hoewel het begrip ‘recyclen’ toen ver weg was, gebeurde dat wél in de Montelbaanstraat 13. De lege stenen kruiken werden niet weggegooid. Daarvoor hadden ze een uiterst nuttige functie: als warmwaterkruik. ‘Moeder was nogal ziekelijk. Vooral in die verschrikkelijke winter. Om het ’s nachts enigszins warm te hebben, stopte ze enkele kruiken gevuld met heet water in bed. Een dag later moest Mientje, toen een tiener, deze kruiken, staand op het aanrecht, leeggooien. En daar ging het op een keer volkomen mis mee. Op een koude winterochtend stonden in de keuken vier kruiken.
jenewijnTwee zogenaamde warmwaterkruiken, en twee gevuld met oude jenever. Pa had die daar even neergezet om mee te nemen. Mijn zus, van niets wetend, liet alle kruiken in de gootsteen leeg lopen. Een kleine ramp. Die jenever was kostbaar als vloeibaar goud.’

Foto 2: Rechts moeder Coba,  haar zuster Cisca, Kees senior en zwager Willem. 

Vers gebakken, mét stroopsuiker

keeswijnandf 013Op de Nieuwmarkt tierde de zwarthandel welig. Louche types brachten het laatste voedsel aan de man: woekerprijzen want te betalen met goud. Voor de deur van de volksgaarkeuken op de Rechtboomssloot stonden dagelijks lange rijen hongerende buurtgenoten. In de hand een pannetje, waar, als ze aan de beurt kwamen, een waterig, smerig soort soep in werd gelepeld. Deze ellende ging aan Kees en zijn familie voorbij. Met dank aan de schatten die uit de krantentassen van Kees senior kwamen. Voedsel van boer Van Kampen bestond uit zijn meest elementaire vorm. De zuivelproducten werden probleemloos opgeborgen in de provisiekast. Anders was het met de tassen vol suikerbieten en tarwe. Vooral dat laatste. Als Kees dáár aan denkt krijgt hij weer  visioenen van een koffiemolen, glazenbakjes, keukenstoel én pijn in zijn arm.

Urenlang draaien
Hij gaat uitleggen: ‘Moeder deed eerst de tarwe in grote kussenslopen en borg deze op. Als ma brood ging bakken dan moest de tarwe gemalen worden’, opent hij. ‘Dat gebeurde in zo’n ouderwetse koffiemolen mét een slinger, hangend aan de keukenmuur.  In plaats van koffiebonen ging daar de tarwe in. Frans, Jan en ik moesten de molen bedienen. Urenlang. Frans, zes jaar ouder, nam de grootste portie voor zijn rekening. Als hij te moe werd, nam Jan of ik het over. Ik stond dan op een keukenstoel. Te draaien aan die slinger. Het meel kwam in een glazen bakje terecht. Bij de bakker aan de overkant, die niets meer in huis had, behalve gist, haalden wij dat laatste. Dat werd allemaal door moeder tot deeg gekneed en in een grote pan gedaan. Deze pan, afgedekt met een theedoek werd dan enkele uren op het aanrecht gezet zodat het deeg kon rijzen.’
keesoorlogs 005Voor het bakken had moeder Coba, van alle markten thuis, een creatieve oplossing.
‘Wij hadden zo’n ouderwetse grote potkachel. Bovenop zaten verschillende ringen waarmee je de brandstoftoevoer kon regelen. Moeder haalde een paar ringen van de kachel en plaatste de pan in het ronde gat tot aan de twee handvaten boven op de kachel. Na het bakproces zat er, aan de onderkant, een centimeter dikke, zwarte roetlaag op. Die werd er af geschraapt. Het brood, besmeerd met echte roomboten én stroop  was heerlijk’.
Het was een drukke bedoening in het keukentje van de Montelbaanstraat 13. Acht kinderen en twee volwassenen. Hoe de moeder van het gezin het voor elkaar kreeg, is een raadsel. Ondanks die hectiek werden de suikerbieten dáár omgevormd tot een smakelijk iets. ‘De suikerbieten gingen in een teil op het gasstel. Dat werd gekookt tot een donkerbruine stroop. Heel lekker op het brood. De geur van vers gebakken brood met die van stroopsuiker ben ik nooit meer vergeten.’

Rinus
De kennissen- en vriendenkring van de vader bestond uit alle rangen en standen van de bevolking. Ook een zekere Rinus maakte daar deel van uit. De laatste, een alcoholist met dagelijks ‘lekkere’ dorst. De naam ‘Rinus’, god hebben zijn ziel, zong tientallen jaren na de oorlog nog rond in de familie. ‘Klopt’, bevestigt Kees. ‘Rinus kocht een keer van vader een kruik jenever. Deed deze in zijn binnenzak. Althans dat dacht hij. Nadat Rinus de trap was afgestommeld hoorde wij een doffe klap. Deze kwam uit de portiek. Wij gingen meteen kijken. De kruik oude jenever was uit zijn jas gevallen en lag in stukken op de granieten grond’.
Neem een alcoholist zijn drank af, dan gebeuren er  opmerkelijke dingen. Wat dát betreft stelde Rinus niet teleur.
keeswijnandf 010‘Tussen de scherven van de kruik en de plas oude jenever lag Rinus op zijn knieën te redden wat er te redden viel. Als een bezeten hond lag hij de jenever op te likken’, vertelt Kees schaterend.

Alsof je in een tijdscapsule stapt: het keukentje van Kees. Tachtig jaar niets aan veranderd. Foto 1: Kees wijst de plek aan waar ooit de koffiemolen hing. 

Rolberoerte door feesthoedjes

Copy of familiespook 112Was bij de familie het probleem ‘voedsel’ goed opgelost. Anders was het met de brandstof. Door de spoorwegstaking, uitgeroepen door de regering in Londen, én de wurgende repressie van de bezetter, was er totaal geen brandstof meer. De winter van 1944 ging ook nog eens de boeken in als één van de koudste ooit. De Nieuwmarktbuurt kreunde onder de snijdende oostenwind. IJs op de grachten. Berijpte  ramen. Om het enigszins warm te houden verdween alles wat kon branden in de potkacheltjes. Door het weg voeren van de Joodse buurtbewoners stonden veel huizen leeg. Waarmee de onttakeling van de buurt definitief werd ingezet.
‘Vooral de verlaten Joodse winkels waren het doelwit. Alles wat daar aan hout werd aangetroffen werd er uit gesloopt. Dat ging trouwens vaak mis.

Zigeunersfamilies
Tijdens zo’n houtjacht stortte een deel van een huis op de  Oude Schans in. Een klasgenootje van mij die daar houtspaanders aan het zoeken was verongelukte dodelijk. Ondanks dát sluimerende gevaar, deden pa en broer Frans  alles om het in huis warm te houden. Op een nacht ging vader met Frans op pad. Zaag onder de arm. Doel: het hoekpand Snoekjessteeg, Sint Antoniebreestraat. Het was stikdonker. Pa was met Frans het verlaten pand binnen gedrongen. Om met die handzaag een grondbalk door te zagen. Tijdens het zagen hoorde zij iemand op straat roepen: de  ‘Grüne Polizei’ komt er aan. Ze vlogen meteen naar buiten en slopen in het donker naar huis.’
Copy of familiespook 105In een volksbuurt als die van de Nieuwmarktbuurt blijft iets niet lang geheim. Ook niet over die ene zigeunerfamilie. ‘In veel van die lege huizen trokken zigeunerfamilies in. Een van die families wonende in de Dijkstraat werd een paar dagen later door de moffen opgepakt. Deze zigeuners beschikten opeens over meerdere kisten gevuld met goud en juwelen. Gevonden tussen de balken van het zelfde pand als waar pa en Frans bezig waren.’

Feest
Naar mate de oorlog vorderde veranderde, de voorheen levendige Sint Antoniebreestraat met zijn vele Joodse winkels in een lugubere, doodse straat. De meeste huizen waren van al het hout gestript. De  winkels waren óf dichtgetimmerd dan wel  leeg geroofd.  Of het door de nering kwam óf omdat er niets te vieren viel is niet duidelijk. Feit was dat door de buurt iets over het hoofd was gezien. Behalve door de broertjes Jan en Kees.
‘In de Klovenierssteeg, lopend van de Sint Antoniebree naar de Kloveniersburgwal was een pakhuis waarin feestartikelen waren opgeslagen. Waarschijnlijk was er die nacht ingebroken.  Jan en ik kwamen uit school, en liepen daar langs. De deur stond open. De grond van de opslagruimte lag bezaaid met feestartikelen,  vlaggetjes, toeters,  hoedjes. Allemaal in de kleuren oranje dan wel rood-wit-blauw.
Copy of familiespook 034Mijn moeder kreeg een rolberoerte van de schrik toen wij luid zingend, ‘oranje boven’ toeterend met die vlaggetjes de straat in kwamen. Je moet namelijk weten dat iedere Koningsgezinde uitingen door de moffen zwaar werden afgestraft.

Foto 1: Vader Kees met Reggie, Mientje én Lies. Foto 2: Oorlogswinter in de Montelbaanstraat. Rechts aan de slee Kees met Jan, staand rechts op de stoep Mientje. Vooraan op de slee, Ansje. Foto 3: Rechts Lies, samen met Jan, helemaal links Ansje. Op de slee Rietje, naast haar Reggie.

Bevrijding mét kapot brilletje

canadeesDe Nieuwmarktbuurt was murw geslagen. Hoeveel kon een mens nog verdragen? De rek was er volkomen uit. De helft van de buurtbewoners waren weggevoerd. Hele straten waren ten prooi gevallen aan de ‘houtjacht’. Veel gezinnen moesten het zonder vaders stellen want te werk gesteld in de Duitse oorlogsindustrie. De verschrikkelijke winter. Maar vooral de hongersnood met zijn duizenden doden. Er werd gesmacht naar de bevrijding. Een voorzetje daarop was de zelfmoord van de ‘Führer aller Duitsers’.  ‘Opeens gonsde het in de buurt,’zegt Kees. ‘De Canadezen komen er aan. Ze zijn al over de Berlagebrug. Iedereen wilde naar de Dam. Wij ook! Mam gaf toestemming.  Pa, Mientje en Frans gingen met zijn drieën. Jan, Reggie en ik gingen samen. Ik moest ma plechtig beloven dat ik Reggie, toen een ventje van acht jaar, stevig bij zijn hand zou houden. Op de Dam was het ontzettend druk. Niet te geloven. Bij de ingang van de Kalverstraat, links van het Paleis stond een grote muziektent. Je voelde de zindering. Opeens kwamen de eerste Canadese trucks en tanks. Die reden een rondje om de Dam heen en vertrokken weer.’
schietpartij op de dam 7 mei 1945 (3)De feestende en hossende menigte achter latend. Met het vertrek van de bevrijders werd de sfeer opeens grimmiger. In de Groote Club, hoek Kalverstraat en Dam zaten Duitse militairen. De laatste voelde zich in het nauw gedreven. Een probleem dat volgens Pruisische mores werd opgelost. Op het dak van de Groote Club verschenen soldaten: mét hun mitrailleurs. ‘Opeens begon het schieten,’vult Kees aan. ‘Wij stonden vooraan. De menigte was compleet in paniek. Iedereen renden richting Damrak. Reggie en ik ook’.

Dekking zoeken
Een op hol geslagen menigte in doodsnood. Als een alles vernietigende stroom. ‘Reggie werd, door de rennende horde, uit mijn handen gewrongen. Links en rechts om mij heen zag ik mensen vallen. Ik werd met de stroom meegevoerd. Het Damrak op. In de gevel van de Bijenkorf heb je een inkeping. Ik ben daar dekking gaan zoeken.’ Wat eerst een veilige haven bleek werd een opmaat voor een drama. Niet alleen Kees zocht beschutting tegen het  moordende Duitse vuur. In doodsnood dachten tientallen anderen daar ook over.
‘Ik zag in die hoek een man zich veilig maken door zich plat op de grond te werpen. In een flits dook ik naast die man. Ook plat tegen de stoeptegels.  Maar er kwamen steeds meer mensen bij. Die doken boven op ons,  om uit de baan van de kogels te blijven. Er lagen zoveel mensen boven mij dat het plotseling pikdonker werd. Ik voelde letterlijk de lucht uit mijn longen geperst worden.
keesoorlogs 023Help, help, ik stik, schreeuwde ik in doodsnood. Een man, zo’n typische volksbuurter merkte dat en die begon te vloeken en te schreeuwen: sodemieter jullie op er stikt hier een jongetje! Opeens werd het weer licht en kreeg ik weer lucht. En kon er tussen uit glippen. Ik kwam heelhuids thuis. Alleen de twee glazen van mijn brilletje waren kapot.’

Ondertussen in de Montelbaanstraat 13
Onder het uitroepen van ‘Coba, Coba, er is iets vreselijks gebeurd’, kwam tante Jo, de zus van pa, de trap opgestormd. ‘Er wordt op de Dam geschoten’. Om er aan toe te voegen dat er inmiddels honderden doden waren gevallen, bezorgde Jo, haar schoonzus een hartverzakking. Ga daar als moeder maar even aan staan: zo’n beetje het hele gezin van Coba stond op de Dam. Het werd het zwaarste uur uit haar leven. Het zenuwslopende wachten begon. Als eerste kwam ik thuis. Even later gevolgd door Reggie’. En de laatste nam ook onvervalste horror mee. Reggie belde eerst aan.
Kees: ‘Moeder deed open. In de portiek stond een klein vuurrood ventje.  Ma viel zowat flauw van de schrik.  Reggie, van zijn kruin tot aan de voeten zat helemaal onder het bloed. Het was net een rood duiveltje. Ik hoor nu nog mijn moeder schreeuwen: o, Reggie wat is er met je jongen?
Copy of familiespook 016Niks hoor, antwoordde mijn broertje, een flegmatiek kereltje. Ik ben over een lijk gestruikeld. Na mijn broertje meldde Frans zich. Iets later Jan. Mientje en pa kwamen daarna’. 
Nadat Reggie in de keuken was schoon geschrobd kwamen de verhalen los. Overleveringen die jarenlang in de familie rondzongen en waarvan nog twee leden van het gezin daar ooggetuige van was: Kees en Reggie.

Foto 4: De hoek van de Bijenkorf waar Kees zijn leven aan te danken had. In het midden op de achtergrond ‘De Groote Club’. Foto 4: Reggie.

‘Hello Boy’, tracteerde op kauwgum

voedseldropping2Je moest het zelf mee gemaakt hebben, om daar nooit over uit gesproken te raken. De  voedseldroppings! De geschiedenisboeken in gegaan als ‘operatie Manna’. Een luchtbrug  die eind april 1945 duizenden van een wisse hongersdood redde. Lancasterbommenwerpers wierpen dagenlang tonnen voedsel boven Holland uit. Kees weet dat nog maar al te goed. ‘De Engelsen en Amerikanen dropten het voedsel op aangegeven terreinen. Daarna vlogen ze héél laag over de stad. Een soort van groet. Je kon de piloten achter hun raampjes zien zitten. Buurvrouw Miepie van Baaren, raakte daar zo opgewonden van dat ze met een Nederlandse  vlag op het dak stond te zwaaien. Van het gedropte meel, afkomstig uit Zweden, bakten de bakkerijen het zogenaamde Zweeds wittebrood. Besmeerd met boter smaakte dat als cake. Goddelijk. De lege blikken waar dat meel in vervoerd werd, zo’n veertig centimeter groot en breed met een afsluitbaar deksel, die kregen wij, de jongens uit de buurt. Er was één jongetje, Herman Bos,  die een aantal van die blikken aan elkaar bond en als vlot door de Rechtboomssloot peddelde. Wat niet te lang duurde. Na een aantal minuten viel dat vlot uit elkaar. Herman zwemmend in de gracht’.
Project3Eind mei 1945. Het Duitse Feldgrau had plaats gemaakt  voor Canadese kakiuniformen.  Flanerende militairen op ontdekkingstocht in Amsterdam. De broertjes Kees en Jan kwamen ze regelmatig tegen. Het werden aandoenlijke ontmoetingen. Twee Amsterdamse jochies. De verschrikkingen van de oorlog overleeft. De één, waar de verlegenheid van af afstraalde en de ander met een zielig kapot, ziekenfondsbrilletje. Je moet als GI dan wel een hart van steen hebben wil je dát negeren. Gebeurde ook niet. Kees:  ‘Ik had een paar Engelse woordjes geleerd, zoals ‘Hello Boy’. Dat vonden ze heel leuk. Jan en ik kregen altijd een plak chocolade. Je moet je indenken, dat hadden wij járen niet gehad. Ook kregen wij iets dat wij totaal niet kende. Een plakje hard rubber. Je moest daar op kauwen. We mochten het niet inslikken. Maar wél héél lekker’. De broertjes hadden kennis gemaakt met het begrip ‘kauwgum’.
Jongens, meiden, vaders en moeders, en vooral ‘Trees met haar Canadees’, iedereen vierde de bevrijding in bed. Laat maar ‘lopen’ die handel. Hatsikadé. Gods zaad over Gods akker. Kinderen mogen weer, en de geboortegolf kwam er aan. Niet alleen in de spondes werd feest gemaakt. Ook op straat. Vooral dat laatste.

Straatfeesten
Copy of familiespook 084De straatfeesten. Ook in de Nieuwmarktbuurt, of beter gezegd in de Montelbaanstraat. Het leverde een smakelijke familieanekdote op. Voor de jongens was er een wedstrijd. Rennen met hindernissen. Parkoers: rondom de Oude Waal, Oude Schans, Rechtboomssloot. Hindernisbaan én finish in de Montelbaanstraat. Prijzen als een mud kolen, voedselpakketten gevuld met vrijwel niet te krijgen lekkernijen. Prijzen waarvoor hongerend Amsterdam bereidt was om bij zich zelf, een vinger voor af te laten hakken.  Deelnemers? Zo’n beetje alle buurtjongens tussen de twaalf- en achttien jaar. Onder hen ook broer Frans. En de laatste eiste de hoofdrol op. Alleen niet waarvan zijn vader op gehoopt had. ‘Wimpie Kersbergen wonende op nummer 5, verscheen aan de start in sportkleding mét gympen’, verteld een grinnikende Kees. ‘Frans niet. Die deed mee in plusfour, colbertje én hoge schoenen. De wedstrijd ging over vijf ronden Ieder keer als ze door de straat kwamen moesten ze over een soort grote wip rennen. Als je daar over ging kantelde aan de andere kant de balk naar beneden. Iedereen ging daar over heen als een evenwichtskunstenaar.
Frans sprong daar met drie sprongen over heen. Mijn broer verkreeg daar door een fenomenale voorsprong.
Copy of familiespook 016Wij allemaal juichen en Frans aanmoedigen. Dat ging goed tot vader ook begon te schreeuwen. Dat laatste viel niet in goede aarde. Bij de laatste doorkomst met finish in zicht en gewonnen positie kreeg Frans daar zó de kelere over in dat hij, al rennend onze portiek in dook de trap opstormde. Misschien heb ik dat inmiddels verdrongen maar weet niet meer hoe dat tussen pa en Frans was afgelopen. Pa en Frans kennende moet dat ieder geval wel heftig zijn geweest’.

Foto 3: Straatfeest in de Montelbaanstraat.
Foto 4: Frans, in plusfour, met broertje Jan.

Tot slot….

keeswijnandf 005Kees, de acht kruisjes gepasseerd, heeft zijn verhaal verteld. Voor de laatste keer wordt een neut ingeschonken. Na de borrel staat zijn dagelijkse, urenlange wandeling op het programma.  Langs de voor hem mooie plekjes, en natuurlijk door zijn geliefde buurtje. Waarbij hij nog steeds in vervoering kan raken om de prachtige gevelstenen, de architectuur en de lichtval van ‘zijn’ Amsterdam. Uitvalbasis: de Montelbaanstraat 13. De woning waar hij geboren én getogen is. Het huis waar zijn ouders zijn gestorven. En zijn broers en zusters uit zijn verdwenen. De woning waar het stil is geworden. Ooit ketste daar de oorlogsverhalen dagelijks tegen de muren. Het huis waar Kees, als the last man standing, nog steeds woont. Al acht decennia. Kees, het vierde kind van Kees en Coba. Later volgden nog vijf broertjes en zusjes.
Kees is gelukkig met zijn leven. Is der dagen nog láng niet zat. Telt zijn zegeningen want heeft nog steeds een scherpe geest en staat midden in de maatschappij.
Ondanks dát schrijnt het toch. Broers Jan en Frans, zwager Ule, maar ook de zusjes Mientje en Lies, de mensen waar hij om gaf, zijn weg gevallen. De schakels met het verleden worden doorgesneden. De vriendenkring dunt uit.
Daarom was het voor hem de tijd aangebroken om zijn oorlogsherinneringen te vertellen. Al was het maar voor de jongste tak van de familie, de neven, nichtjes en keeswijnandf 035hún kinderen…

Het werd een symbolische borrel. Kees en André bij ‘Wijnand Fokkink’ de kroeg annex likeurstokerij waar vader Kees senior dagelijks, na het werk, zijn afzakkertje haalde. De kroeg die in de familie zo’n belangrijke plek innam.