Verloren bonnen in de sneeuw

familiespook 091De Duitse oorlogsmachine liep in Rusland vast, de Februaristaking brak uit, verzetslieden werden bij  bosjes geëxecuteerd, de eerste treinen met Joodse buurtbewoners vertrokken  richting Westerbork, en de Nieuwmarktbuurt, kreunde onder de winters. Besneeuwde straten. IJs in de grachten. Hout en andere brandstoffen voor de noodkacheltjes waren niet aan te slepen. Maar de kinderen hadden plezier. IJspret. ‘Ik kan mij nadien niet meer herinneren dat ik zulke strenge winters had meegemaakt als tijdens de oorlog.’ Het waren dezelfde winters die voor ontelbare familieoverleveringen zorgden. Ook bij Kees thuis. Verhalen die altijd verteld werden als de rayonhoofden in Friesland bij elkaar kwamen, en de kolenkachel in de huiskamer roodgloeiend stond.

Losse schotsen
‘Ontzéttende koude winters’, bevestigt Kees. ‘In mijn beleving duurde die maandenlang. Wij schaatsten veel op de grachten. Door het weinige verkeer en omdat er niets geruimd werd lagen de straten dagenlang vol met sneeuw. En met spelende kinderen. Sleetje rijden. Wij op de slee, en mijn vader daaraan trekken. Die man had trok zich daar bijna een breuk aan. Of doodgewoon glijen over de sneeuw.’
Sleetje rijden, sneeuwballen gooien, leuk, maar wél voor de jongste. De pubers amuseerden zich op een heel andere manier. Schotsen springen. In de ogen van Kees verschijnt een schittering. Hij verhaalt over een klein heldenepos. Met broer Frans in de hoofdrol. ‘IJsbrekers hadden het water in de Oude Waal opengebroken. In de vaargeul dreven losse schotsen. De oudere jongens daagden elkaar uit wie daar overheen, naar de overkant durfde te springen.
Copy of familiespook 106Met als extra dimensie dat die gracht behoorlijk breed is. Ik vond dat nogal  spannend. Er was niemand die daar de lef voor had. Op één na: Frans.’  Een oudere broer als held. Voor een jochie van tien jaar maakte dat diepe indruk. Kees weet dan ook precies wanneer dat plaatsvond. ‘In de winter van 1944. Frans sprong van schots op schots. Je kon daar niet te lang op blijven staan want dan kantelde die. Ik zag met eigen ogen hoe hij soepel de overkant haalde. Het was bloedlink. Eén keer mis springen en hij was verzopen als een kat. Een huzarenstuk’, verzucht Kees.

Paniek roepen
1944, dezelfde winter waarin Kees ook een hoofdrol voor zich opeiste. Weliswaar een kleine, maar toch. ‘Het was de beruchte hongerwinter. Om de zoveel tijd werden voedselbonnen uitgedeeld. Zonder deze kreeg je geen voedsel, wat overigens niet veel voorstelde.  Je kreeg één brood per week. Een ongekende ramp als je deze bonnen kwijtraakte. Het had die ene dag behoorlijk gesneeuwd. Wij waren op straat aan het spelen. Hoorden wij opeens de buurman in paniek roepen of iemand zijn bonnen gevonden had. Die man was ze op weg naar de bakker, verloren. Weet nog goed dat volwassenen daarover stonden te praten. Ik stond daarbij, en schoof verveeld met mijn schoen over de verse sneeuw.
Copy of familiespook 107Zie ik opeens die bewuste bonnen onder de sneeuw liggen. Ik had ze voor hem gevonden.’

Foto 1: Rechts neef Jan Immig. Foto 2: Vader Kees aan de slee. Voorop Rietje met Ansje.
Foto 3: Op de slee Lies met Ansje. Op de stoep sneeuwballen gooiend en tweede van rechts, Kees.